Trefwoordenregister
|
Stelplicht en bewijslast Meer stellen dan nodig is QI 576, HR 9-9-2005, NJ 2005, 468 (Kroymans / Verploegen) Art. 6:22,
6:217 BW, art. 150 Rv Essentie arrest: Nakoming
van een verbintenis onder ontbindende voorwaarde kan worden gevorderd, tenzij
de voorwaarde in vervulling is gegaan. Het bestaan van de ontbindende
voorwaarde vormt de grondslag van het bevrijdende verweer van de schuldenaar
dat de voorwaarde is vervuld. Stelplicht en bewijslast ten aanzien van het
bestaan van een ontbindende voorwaarde liggen derhalve bij de partij die zich
op (het vervuld zijn van) deze voorwaarde beroept. Specifieke regel voor huidige
trefwoord: Doordat
een partij meer stelt dan nodig is voor het inroepen van het gewenste rechtsgevolg,
komt de bewijslast ten aanzien van het meerdere niet bij die procespartij te
liggen. |
|
|
V01e, voorwaardelijke verbintenis Stelplicht en bewijslast QI 576, HR 9-9-2005, NJ 2005, 468 (Kroymans / Verploegen) Art. 6:22,
6:217 BW, art. 150 Rv Essentie arrest: Nakoming
van een verbintenis onder ontbindende voorwaarde kan worden gevorderd, tenzij
de voorwaarde in vervulling is gegaan. Het bestaan van de ontbindende
voorwaarde vormt de grondslag van het bevrijdende verweer van de schuldenaar
dat de voorwaarde is vervuld. Stelplicht en bewijslast ten aanzien van het
bestaan van een ontbindende voorwaarde liggen derhalve bij de partij die zich
op (het vervuld zijn van) deze voorwaarde beroept. |
|
|
V02b2, wil = verklaring (of
vertrouwen) Opzegging arbeidsovereenkomst QI 570, HR 10-6-2005, NJ 2005, 395 (Al
Hage Hussein / Zbir c.s.) Art. 3:33
en 3:35 BW Essentie arrest: De volgens
vaste rechtspraak geldende strenge maatstaf ter beantwoording van de vraag of
een werknemer zijn dienstbetrekking vrijwillig heeft willen beëindigen,
dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die
vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem kan hebben, kort
gezegd het verloren gaan van de mogelijkheid zich op ontslagbescherming te
beroepen, en het mogelijk verlies van aanspraken ingevolge de sociale
zekerheidswetgeving, met name een werkloosheidsuitkering. In verband met die
ernstige gevolgen zal de werkgever niet spoedig mogen aannemen dat een
verklaring van de werknemer is gericht op vrijwillige beëindiging van de
dienstbetrekking. Waar het gaat om de beantwoording van de vraag of een door
de werkgever afgelegde verklaring strekt tot beëindiging van de
dienstbetrekking zijn ernstige gevolgen zoals hiervoor vermeld niet aan de
orde. Er is daarom geen reden een dergelijke verklaring, indien de werknemer
deze heeft opgevat als gericht op de beëindiging van de dienstbetrekking,
maar de werkgever zich op het standpunt stelt dat die verklaring niet die
strekking had, anders te beoordelen dan aan de hand van de maatstaf van art.
3:33 en 3:35 BW. Een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de
werkgever is niet vereist. |
|
|
V02c1, precontractuele fase Schadevergoedingsplicht QI 573, HR 12-8-2005, NJ 2005, 467 (CBB
/ JPO) Art.
6:162, 6:248 BW Essentie arrest: Als maatstaf
voor de beoordeling van de schadevergoedingsplicht bij afgebroken
onderhandelingen heeft te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen -
die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te
laten bepalen - vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond
van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het totstandkomen
van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval
onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de
mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot
het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde
belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop
van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan,
terwijl, in het geval onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over
een lange tijd worden voortgezet, wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend
is hoe daaromtrent ten slotte op het moment van afbreken van de
onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele
verloop van de onderhandelingen. Indien het hof heeft nagelaten te
onderzoeken of het afbreken van de onderhandelingen door CBB onaanvaardbaar
was en of JPO gelet op alle omstandigheden van het geval gerechtvaardigd
heeft mogen vertrouwen dat een overeenkomst als door haar gesteld zou zijn
totstandgekomen, heeft het voormelde maatstaf miskend en aldus blijk gegeven
van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof heeft bedoeld de juiste
maatstaf toe te passen - het arrest is in dit opzicht niet duidelijk nu een
verwijzing naar de hier toepasselijke maatstaf ontbreekt - is zijn oordeel
niet toereikend gemotiveerd. |
|
|
V02d1, uitleg Derdenbescherming QI 575, HR 9-9-2005, LJN: AT8969, JOL 2005, 466 (Affinanciering pensioen) Art. 3:36
BW Essentie arrest: In dit
geding gaat het om de vraag of de werkgever gehouden is tot
"affinanciering" van het pensioen van de werknemer; in het
bijzonder gaat het om de vraag of de met de verzekeraar overeengekomen
winstdeling meegerekend moet worden - zoals de werkgever betoogt en de
werknemer betwist - bij de vaststelling van de hoogte van de premievrije
waarde van de pensioenverzekering ten tijde van de beëindiging van de
dienstbetrekking. Volgens de Hoge Raad heeft het hof op de voet van art. 3:36
BW - terecht - beslissend geacht de uitleg van de verzekeringsovereenkomst
zoals deze door de werkgever redelijkerwijs mocht worden opgevat, waarbij het
dus aankomt - niet op hetgeen dienaangaande geldt tussen de werknemer en de
verzekeraar, maar - op de zin die de werkgever in de gegeven omstandigheden
redelijkerwijze aan de verzekeringsovereenkomst mocht toekennen. Het oordeel
van het hof dat verweerster in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze erop
heeft mogen vertrouwen dat de winstbijschrijving aan de verzekerde som ten
goede zou komen, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit
oordeel is ook niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. |
|
|
V02g, partiële
nietigheid/conversie Samenhangende overeenkomsten QI 579, HR 23-9-2005, LJN: AT2620, JOL 2005, 507 (LRS / Sint Willibrordus (II)) Art. 3:42,
3:53, 6:212, 6:228, 6:230 BW Essentie arrest: Vervolg op
HR 22 november 2002, NJ 2003, |
|
|
V02k, ontbinding Schadevergoeding QI 577, HR 16-9-2005, NJ 2005, 469 (Vloet
/ SPOB) Art. 6:74,
6:265, 6:271, 6:277 BW Essentie arrest: Door de
ontbinding van de onderhavige overeenkomst werden de partijen bevrijd van hun
daardoor getroffen verbintenissen (art. 6:271 BW). In cassatie dient evenwel
mede tot uitgangspunt het kennelijke, en door het middel niet bestreden,
oordeel van het hof, dat de betalingsverplichting van SPOB, in weerwil van de
ontbinding van de overeenkomst, in stand is gebleven. Op dat oordeel
voortbouwend heeft het hof in reconventie geoordeeld dat SPOB deze
betalingsverplichting wat het nog openstaande bedrag betreft in de gegeven
omstandigheden niet behoeft na te komen omdat zij met de ondeugdelijk
uitgevoerde prestaties niet is gebaat. Tegen dat laatstgenoemde oordeel keert
zich het onderdeel, dat terecht is voorgedragen. In het licht van het feit
dat het hof in conventie de beslissing van de rechtbank tot toewijzing van de
door SPOB gevorderde schadevergoeding op de basis van het zogeheten positieve
contractsbelang heeft bekrachtigd, heeft het hof, aldus oordelend, immers
blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het heeft met name miskend
dat SPOB door de toewijzing van deze schadevergoeding in staat wordt gesteld
de door Vloet verschuldigde prestatie door een derde te laten uitvoeren.
Daartegenover heeft Vloet, bij het door het hof gehanteerde uitgangspunt, dan
aanspraak op toewijzing van haar in reconventie ingestelde vordering tot
voldoening van het restant ten bedrage van f 28 719,38 van de overeengekomen
aanneemsom. De door het hof dienaangaande gestelde voorwaarde dat SPOB met de
door Vloet verrichte prestaties had moeten zijn gebaat, vindt geen steun in
het recht. Zij leidt ten onrechte ertoe dat SPOB in een voordeliger positie
zou worden gebracht in vergelijking met de situatie waarin zij zou hebben
verkeerd wanneer de overeenkomst door Vloet naar behoren zou zijn nagekomen. |
|
|
V02q, samenhangende overeenkomst Vernietiging, conversie QI 579, HR 23-9-2005, LJN: AT2620, JOL 2005, 507 (LRS / Sint Willibrordus (II)) Art. 3:42,
3:53, 6:212, 6:228, 6:230 BW Essentie arrest: Vervolg op
HR 22 november 2002, NJ 2003, |
|
|
V03a1h2, vrijheid meningsuiting Huiszoeking bij journalist QI 574, HR 2-9-2005, RvdW 2005, 94 (Ostade Blade c.s. / de Staat) Art. 8 en
10 EVRM, art. 6:162 BW Essentie arrest: Het recht
van vrijheid van meningsuiting, zoals vervat in art. 10 EVRM, houdt tevens
het recht van vrije nieuwsgaring in. Een inbreuk op het recht van vrije
nieuwsgaring - waaronder het belang van de bescherming van de bron van een
journalist - kan ingevolge art. 10 lid 2 EVRM gerechtvaardigd zijn voor zover
is voldaan aan de in die bepaling (door de Hoge Raad nader) omschreven
voorwaarden Een huiszoeking of doorzoeking bij een journalist ter
inbeslagneming van materiaal waardoor inbreuk zou kunnen worden gemaakt op
het recht van vrije nieuwsgaring vormt uit haar aard een ingrijpende
maatregel, ingrijpender dan bijvoorbeeld een bevel tot uitlevering van de
desbetreffende gegevens, mede omdat daardoor toegang kan worden verkregen tot
andere, mogelijk door art. 10 EVRM beschermde, gegevens waarover de
journalist de beschikking heeft. Zodanige maatregel vormt, ook indien
inbeslagneming niet is gevolgd, een ongeoorloofde inbreuk op de door art. 10
EVRM beschermde rechten, tenzij deze is gerechtvaardigd door "an
overriding requirement in the public interest". Dit brengt mee dat,
wanneer de Staat wordt aangesproken uit onrechtmatige daad wegens inbreuk op
art. 10 EVRM, het in zodanig geval in beginsel aan de Staat is - die ook bij
uitstek in de gelegenheid is duidelijk te maken dat in het voorliggende geval
niet met minder vergaande maatregelen kon worden volstaan - gemotiveerd te
stellen en zo nodig te bewijzen dat deze inbreuk noodzakelijk is, welke
stelplicht en bewijslast mede omvat dat de huiszoeking of doorzoeking in
overeenstemming met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit heeft
plaatsgevonden. Bij de afweging of de in aanmerking komende belangen van zo
zwaarwegende aard zijn dat zij de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting in
het voorliggende geval rechtvaardigen, komt niet alleen betekenis toe aan de
ernst van de te voorkomen strafbare feiten en de ernst van het gevaar voor de
openbare veiligheid, maar ook aan de mate waarin het gevaar voor het plegen
van strafbare feiten en voor de openbare veiligheid in concreto aannemelijk
is: naarmate die dreiging concreter is, kan te eerder de inbreuk noodzakelijk
zijn te achten. |
|
|
V03a1l, faillissement Bevoegdheid instellen actie QI 578, HR 16-9-2005, RvdW 2005, 101 (De Bont / mr. Bannenberg q.q.) Art. 6:162
BW, art 68 Fw Essentie arrest: Een
faillissementscurator is bevoegd in geval van benadeling van schuldeisers
door de gefailleerde voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers op te
komen, waarbij, zoals de Hoge Raad voor het eerst in zijn arrest van 14
januari 1983, nr. 12026, NJ 1983, 597 heeft beslist, onder omstandigheden ook
plaats kan zijn voor het geldend maken van een vordering tot schadevergoeding
tegen een derde die bij die benadeling betrokken was, ook al kwam een
dergelijke vordering uiteraard niet aan de gefailleerde zelf toe. De
opbrengst van een zodanige door de curator in het belang van de gezamenlijke
schuldeisers geldend gemaakte vordering valt, evenals de opbrengst van een
vordering tot vernietiging op de voet van de artikelen 42 e.v. Fw, in de
boedel en komt derhalve de gezamenlijke schuldeisers ten goede in de vorm van
een toename van het overeenkomstig de uitdelingslijst te verdelen
boedelactief. Zijn bevoegdheid tot het geldend maken van dergelijke
vorderingen ontleent de curator aan de hem in art. 68 lid 1 Fw gegeven
opdracht tot beheer en vereffening van de failliete boedel. De onderhavige
(primaire) vordering van de curator is evenwel niet ingesteld voor de
gezamenlijke schuldeisers, maar voor de schuldeisers wier vorderingen zijn
ontstaan na 31 juli 1998. Dienovereenkomstig is de curator niet van plan de
opbrengst van de vordering bij het boedelactief te voegen, maar wil hij die
(zoals het hof in rov. 4.6 van zijn arrest vermeldt), na aftrek van kosten,
ten goede doen komen aan deze schuldeisers. Een zodanige behartiging van de
belangen van deze individuele schuldeisers, die aan het feit dat hun
vorderingen op Installogic na 31 juli 1998 zijn ontstaan geen bijzondere door
de curator in acht te nemen positie in het faillissement van Installogic
ontlenen, valt buiten de grenzen van de in art. 68 lid 1 Fw aan de curator
gegeven opdracht terwijl ook overigens in de Faillissementswet daarvoor geen
grondslag valt te vinden. De omvang van de door een individuele faillissementsschuldeiser
geleden schade wegens (gehele of gedeeltelijke) onverhaalbaarheid van zijn
vordering kan eerst worden bepaald als duidelijk is hoeveel hij uit het
faillissement zal ontvangen. Hij zal dan ook voor het volle bedrag van zijn
vordering in het faillissement moeten opkomen terwijl bij de vaststelling van
zijn schade rekening moet worden gehouden met hetgeen hij uit het
faillissement ontvangt. |
|
|
V06, ongerechtvaardigde verrijking Nagetrokken voorwerpen niet in koop
begrepen QI 579, HR 23-9-2005, LJN: AT2620, JOL 2005, 507 (LRS / Sint Willibrordus (II)) Art. 3:42,
3:53, 6:212, 6:228, 6:230 BW Essentie arrest: Vervolg op
HR 22 november 2002, NJ 2003, Specifieke regel voor huidige
trefwoord: Indien
moet worden aangenomen dat volgens de bedoeling van partijen de
kunstvoorwerpen niet in de koop waren begrepen, doch voorwerp waren van de
gelijktijdig gesloten huurovereenkomst, werd de met de door
eigendomsoverdracht van die zaken bewerkstelligde verrijking niet door de
koopovereenkomst gerechtvaardigd. Dat de verrijking niet door de natrekking
is ontstaan omdat die, zoals het hof voorts overweegt, in 1986 reeds een feit
was, laat onverlet dat de gestelde verrijking is bewerkstelligd doordat de
kunstvoorwerpen, als bestanddelen van het kerkgebouw ingevolge
vóór 1986 plaatsgevonden hebbende natrekking, bij de levering
in eigendom aan Sint Willibrordus zijn overgegaan. Indien komt vast te staan
dat zulks door partijen niet werd beoogd, is de mogelijk daarin gelegen
verrijking dus ongerechtvaardigd geweest. De kennelijk op zodanige verrijking
gebaseerde vordering van LRS staat haar ten dienste ook zonder dat de
koopovereenkomst wegens dwaling wordt vernietigd. |
|
|
V12, schadevergoeding, art. 74 Boek
6 BW Voordeliger positie QI 577, HR 16-9-2005, NJ 2005, 469 (Vloet
/ SPOB) Art. 6:74,
6:265, 6:271, 6:277 BW Essentie arrest: Door de
ontbinding van de onderhavige overeenkomst werden de partijen bevrijd van hun
daardoor getroffen verbintenissen (art. 6:271 BW). In cassatie dient evenwel
mede tot uitgangspunt het kennelijke, en door het middel niet bestreden,
oordeel van het hof, dat de betalingsverplichting van SPOB, in weerwil van de
ontbinding van de overeenkomst, in stand is gebleven. Op dat oordeel voortbouwend
heeft het hof in reconventie geoordeeld dat SPOB deze betalingsverplichting
wat het nog openstaande bedrag betreft in de gegeven omstandigheden niet
behoeft na te komen omdat zij met de ondeugdelijk uitgevoerde prestaties niet
is gebaat. Tegen dat laatstgenoemde oordeel keert zich het onderdeel, dat
terecht is voorgedragen. In het licht van het feit dat het hof in conventie
de beslissing van de rechtbank tot toewijzing van de door SPOB gevorderde
schadevergoeding op de basis van het zogeheten positieve contractsbelang
heeft bekrachtigd, heeft het hof, aldus oordelend, immers blijk gegeven van
een onjuiste rechtsopvatting. Het heeft met name miskend dat SPOB door de
toewijzing van deze schadevergoeding in staat wordt gesteld de door Vloet
verschuldigde prestatie door een derde te laten uitvoeren. Daartegenover
heeft Vloet, bij het door het hof gehanteerde uitgangspunt, dan aanspraak op
toewijzing van haar in reconventie ingestelde vordering tot voldoening van
het restant ten bedrage van f 28 719,38 van de overeengekomen aanneemsom. De
door het hof dienaangaande gestelde voorwaarde dat SPOB met de door Vloet
verrichte prestaties had moeten zijn gebaat, vindt geen steun in het recht.
Zij leidt ten onrechte ertoe dat SPOB in een voordeliger positie zou worden
gebracht in vergelijking met de situatie waarin zij zou hebben verkeerd
wanneer de overeenkomst door Vloet naar behoren zou zijn nagekomen. |
|
|
V13b1, ingebrekestelling Verboden aanvulling van
rechtsgronden QI 571, HR 24-6-2005, LJN: AT5466, JOL 2005, 385 (Huurster Grieks restaurant) Art. 6:81
e.v. BW. Essentie arrest: In
cassatie wordt erover geklaagd dat eiser de door de rechtbank bedoelde brief
van 22 oktober 1993 niet in dit proces, maar in een eerder kort geding heeft
overgelegd, terwijl de stukken van dat kort geding weliswaar door eiser in de
onderhavige zaak bij repliek in conventie zijn overgelegd, maar door hem geen
beroep op die brief als ingebrekestelling is gedaan. De rechtbank had, aldus
het middel, niet de vrijheid ambtshalve tot het oordeel te komen dat de brief
van 22 oktober 1993 een voldoende duidelijke ingebrekestelling behelst. Deze
klacht slaagt. Het staat de rechter niet vrij zijn beslissing te baseren op
rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in
het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende
partij niet aan haar vordering of verweer zijn ten grondslag gelegd. Daardoor
wordt de wederpartij immers tekortgedaan in haar recht zich daartegen naar
behoren te kunnen verdedigen (HR 1 oktober 2004, nr. C03/094, NJ 2005, 92). |